4G Feedback geven: waarom feedback vaak misgaat (en hoe het beter kan)

Leestijd: 5 minuten
Auteur: Sanne Kiljan

Het 4G-model: feedback geven zonder dat het meteen ongemakkelijk wordt

Feedback geven klinkt vaak eenvoudiger dan het in de praktijk is. De meeste mensen weten best dat het goed is om dingen uit te spreken, zeker wanneer gedrag van een collega invloed heeft op de samenwerking. Toch stellen veel professionals feedback langer uit dan handig is. Niet omdat ze niets te zeggen hebben, maar omdat ze bang zijn dat het gesprek verkeerd valt. Je wilt eerlijk zijn, maar niet hard overkomen. Je wilt duidelijk zijn, maar niet beschuldigend. Je wilt iets bespreken, maar de relatie niet beschadigen.

 

Juist daardoor blijven veel kleine irritaties langer liggen dan nodig. Een collega komt steeds te laat bij overleggen, iemand reageert kortaf in mails of een afspraak wordt meerdere keren niet nagekomen. In het begin lijkt het misschien niet zo groot. Je denkt dat het vanzelf wel beter wordt of dat het de moeite niet waard is om er iets van te zeggen. Tot je merkt dat het gedrag je toch begint te irriteren. En wanneer feedback pas wordt gegeven nadat de irritatie is opgelopen, wordt het vaak lastiger om rustig en zorgvuldig te blijven.

 

Het 4G-model helpt om feedback eerder, concreter en respectvoller te geven. Het model bestaat uit vier onderdelen: gedrag, gevoel, gevolg en gewenst gedrag. Die volgorde zorgt ervoor dat je niet begint met een oordeel, maar met wat je daadwerkelijk hebt waargenomen. Daarna benoem je wat het met je doet, welk effect het heeft en wat je graag anders zou zien. Daardoor wordt feedback minder vaag en minder aanvallend.

 

Waarom feedback vaak verkeerd binnenkomt


Veel feedback gaat mis omdat mensen beginnen met een interpretatie. Iemand zegt bijvoorbeeld: “Jij bent niet betrokken genoeg” of “Je communiceert onduidelijk.” Zulke opmerkingen kunnen best ergens vandaan komen, maar ze zijn voor de ander moeilijk te ontvangen. Niet alleen omdat ze kritisch zijn, maar vooral omdat ze onduidelijk blijven. Wat betekent betrokken genoeg precies? Waaruit blijkt dat iemand onduidelijk communiceert? En gaat het om één situatie of om een patroon?

 

Wanneer feedback op die manier wordt gebracht, verschuift het gesprek vaak direct naar verdediging. De ander gaat uitleggen waarom hij wél betrokken is, waarom de situatie anders lag of waarom jouw interpretatie niet klopt. Dat is begrijpelijk, want niemand vindt het prettig om beoordeeld te worden op een eigenschap of intentie. Zeker niet wanneer het niet duidelijk is welk concreet gedrag bedoeld wordt.

 

Het 4G-model voorkomt dat je feedback te groot maakt. Je blijft dichter bij wat er werkelijk gebeurde. Daardoor wordt het gesprek minder persoonlijk en beter bespreekbaar. Je zegt niet wie iemand is, maar wat je hebt gezien. Dat lijkt een klein verschil, maar in communicatie maakt het veel uit.

 

De eerste G: gedrag


De eerste G staat voor gedrag. Dit is het startpunt van goede feedback, omdat gedrag concreet en bespreekbaar is. Je beschrijft wat iemand deed of zei, zonder daar meteen een oordeel aan te koppelen. Dat vraagt soms meer precisie dan mensen gewend zijn. In plaats van “je bent altijd zo dominant” zeg je bijvoorbeeld: “Tijdens het overleg onderbrak je mij drie keer terwijl ik mijn punt probeerde af te maken.”

 

Dat laatste is veel duidelijker. De ander weet precies waar je het over hebt en hoeft zich minder te verdedigen tegen een algemeen oordeel. Natuurlijk kan iemand nog steeds anders naar de situatie kijken, maar het gesprek begint in ieder geval bij iets concreets. Daarmee voorkom je dat feedback verandert in een discussie over karakter, intenties of aannames.

 

Een voorbeeld helpt om dit verschil zichtbaar te maken. Stel dat een collega regelmatig afspraken niet nakomt. Je zou kunnen zeggen: “Ik vind dat je weinig verantwoordelijkheid neemt.” Waarschijnlijk roept dat weerstand op. Met de eerste G formuleer je het concreter: “We hadden afgesproken dat jij maandag de cijfers zou aanleveren, maar ik heb ze woensdag nog niet ontvangen.” Daarmee blijf je bij het gedrag dat je hebt waargenomen. Dat maakt het gesprek rustiger en eerlijker.

 

De tweede G: gevoel


De tweede G staat voor gevoel. Nadat je het gedrag hebt benoemd, geef je aan wat dat gedrag met jou doet. Dat vinden veel mensen spannend, zeker op het werk. Gevoelens benoemen wordt soms gezien als onprofessioneel, terwijl het juist veel duidelijkheid kan geven. Feedback zonder gevoel blijft vaak afstandelijk. Feedback mét gevoel laat zien waarom iets voor jou belangrijk is.

 

Het gaat hierbij niet om dramatiseren of de ander verantwoordelijk maken voor al jouw emoties. Je zegt niet: “Jij zorgt ervoor dat ik me slecht voel.” Je houdt het bij je eigen ervaring. Bijvoorbeeld: “Ik merk dat ik daar gefrustreerd van raak” of “Ik voel me daardoor niet serieus genomen.” Daarmee vertel je wat het effect op jou is, zonder de ander vast te zetten in een schuldpositie.

 

Bij het voorbeeld van de ontbrekende cijfers zou je kunnen zeggen: “We hadden afgesproken dat jij maandag de cijfers zou aanleveren, maar ik heb ze woensdag nog niet ontvangen. Ik merk dat ik daar onrustig van word, omdat ik mijn eigen werk daardoor niet goed kan afronden.” Door je gevoel te benoemen, wordt duidelijker waarom je het gesprek aangaat. Het gaat niet om muggenziften, maar om de impact die het gedrag op jou heeft.

 

De derde G: gevolg


De derde G staat voor gevolg. Hier benoem je wat het concrete effect is van het gedrag. Dat kan effect hebben op jou, op het team, op de planning, op de samenwerking of op de kwaliteit van het werk. Dit onderdeel is belangrijk omdat feedback anders kan blijven hangen in persoonlijke irritatie. Door het gevolg te benoemen, laat je zien waarom het onderwerp relevant is.

 

Veel mensen slaan deze stap over. Ze zeggen wel wat ze vervelend vinden, maar niet wat de consequentie daarvan is. Daardoor kan de ander denken dat het vooral om een gevoel of voorkeur gaat. Wanneer je het gevolg benoemt, wordt duidelijker wat er op het spel staat.

 

In het voorbeeld kun je zeggen: “Doordat de cijfers later kwamen, kon ik de rapportage niet op tijd afronden en moest het overleg met de klant worden verplaatst.” Daarmee wordt de situatie concreet. De ander hoort niet alleen dat jij geïrriteerd bent, maar begrijpt ook wat het gedrag veroorzaakt in het werkproces. Dat maakt feedback vaak serieuzer en beter te begrijpen.

 

De vierde G: gewenst gedrag


De vierde G staat voor gewenst gedrag. Dit is het onderdeel waarin je aangeeft wat je graag anders zou zien. Zonder deze stap blijft feedback vaak hangen in wat niet goed ging. Dan weet de ander misschien dat er iets mis is, maar nog niet wat jij nodig hebt om de samenwerking te verbeteren.

 

Gewenst gedrag formuleer je zo concreet mogelijk. Niet: “Ik wil dat je betrouwbaarder bent.” Dat blijft alsnog breed en interpretabel. Beter is: “Ik wil graag dat je het uiterlijk maandag laat weten als de cijfers niet op tijd klaar zijn, zodat we samen kunnen kijken wat er nodig is.” Daarmee geef je richting aan de toekomst.

 

Bij hetzelfde voorbeeld klinkt de volledige feedbackboodschap dan ongeveer zo: “We hadden afgesproken dat jij maandag de cijfers zou aanleveren, maar ik heb ze woensdag nog niet ontvangen. Ik merk dat ik daar onrustig van word, omdat ik mijn eigen werk daardoor niet goed kan afronden. Doordat de cijfers later kwamen, kon ik de rapportage niet op tijd afronden en moest het overleg met de klant worden verplaatst. Ik wil graag dat je het voortaan uiterlijk op de afgesproken dag laat weten als iets niet lukt, zodat we op tijd kunnen bijsturen.”

 

Zo’n boodschap is duidelijk, maar niet onnodig hard. Je benoemt wat er gebeurde, wat het met je deed, wat het gevolg was en wat je voortaan nodig hebt. Daarmee vergroot je de kans dat het gesprek daadwerkelijk ergens toe leidt.

 

Waarom het 4G-model goed werkt in samenwerking


Samenwerking gaat zelden mis door één groot probleem. Veel vaker ontstaan spanningen door kleine dingen die niet worden uitgesproken. Iemand reageert steeds laat, trekt werk naar zich toe, komt afspraken niet na of communiceert op een manier die anderen als kortaf ervaren. Zolang niemand dat bespreekt, gaat iedereen zijn eigen verhaal maken over de situatie.

 

Dat is vaak het begin van gedoe. Mensen gaan intenties invullen. “Hij vindt mijn werk blijkbaar niet belangrijk.” “Zij denkt zeker dat haar tijd belangrijker is dan die van ons.” “Hij doet dit expres.” Meestal weten we helemaal niet of die aannames kloppen, maar ze beïnvloeden wel hoe we naar de ander kijken.

 

Feedback helpt om die aannames te doorbreken. Zeker wanneer je feedback geeft met het 4G-model, omdat je dan minder snel in verwijten terechtkomt. Je maakt gedrag bespreekbaar voordat het een groter verhaal wordt. Dat is niet alleen eerlijker naar de ander, maar ook beter voor de samenwerking.

 

Feedback geven blijft spannend, ook met een model


Het is goed om eerlijk te zijn: het 4G-model maakt feedback geven niet ineens volledig comfortabel. Een lastig gesprek blijft soms gewoon lastig. Zeker wanneer je bang bent voor de reactie van de ander of wanneer er al spanning in de relatie zit.

 

Wat het model wel doet, is houvast geven. Je hoeft niet tijdens het gesprek te zoeken naar de juiste woorden, omdat je vooraf al kunt nadenken over de vier onderdelen. Wat heb ik gezien? Wat deed dat met mij? Wat was het gevolg? Wat zou ik liever zien? Die voorbereiding zorgt vaak voor meer rust.

 

Bovendien helpt het model om je feedback kleiner te houden. Je hoeft geen heel dossier op tafel te leggen. Vaak is één concrete situatie genoeg om een gesprek te openen. Dat maakt het gesprek minder zwaar en vergroot de kans dat de ander kan luisteren.

 

Hoe je het 4G-model natuurlijk gebruikt


Een valkuil van feedbackmodellen is dat mensen ze te letterlijk gaan toepassen. Dan klinkt het gesprek alsof iemand een script voorleest. Dat voelt onnatuurlijk en kan zelfs averechts werken. Het 4G-model is bedoeld als denkstructuur, niet als toneeltekst.

 

Je hoeft de woorden gedrag, gevoel, gevolg en gewenst gedrag dus niet letterlijk te benoemen. Het gaat erom dat je de gedachte erachter meeneemt. In een echt gesprek mag dat best wat losser klinken. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: “Ik wil iets met je bespreken. In het overleg van vanochtend merkte ik dat ik mijn punt niet goed kon afmaken, omdat je me twee keer onderbrak. Ik vond dat lastig, omdat ik daardoor het gevoel kreeg dat mijn bijdrage minder ruimte kreeg. Voor een volgend overleg zou ik het prettig vinden als we elkaar laten uitpraten.”

 

Dat is nog steeds het 4G-model, maar dan in normale spreektaal. Juist daardoor blijft het gesprek menselijk.

 

Tot slot


Feedback geven hoeft niet hard of ingewikkeld te zijn. Het wordt vaak pas ingewikkeld wanneer mensen te lang wachten, te vaag blijven of beginnen met interpretaties in plaats van concreet gedrag. Het 4G-model helpt om dat anders te doen.

 

Door feedback op te bouwen vanuit gedrag, gevoel, gevolg en gewenst gedrag, ontstaat een boodschap die duidelijk én respectvol is. Je maakt bespreekbaar wat er gebeurt, zonder de ander als persoon aan te vallen. Daarmee wordt feedback geen middel om gelijk te krijgen, maar een manier om beter samen te werken.

 

Juist in teams waar mensen elkaar regelmatig feedback durven geven, blijft de samenwerking gezonder. Niet omdat er nooit spanning is, maar omdat spanning eerder wordt uitgesproken. En vaak is dat precies wat nodig is om irritaties klein te houden en vertrouwen groot.

 


Wil je sterker leren communiceren met collega's?


Bij Supertrainer geloven we dat goede samenwerking begint bij eerlijke en duidelijke gesprekken. Feedback geven hoort daarbij, maar veel mensen hebben nooit geleerd hoe je dat op een rustige en constructieve manier doet.

 

Wil je beter leren feedback geven, lastige gesprekken voeren en sterker communiceren met collega's? Meld je dan aan voor onze maillijst. Daar delen we regelmatig praktische inzichten, oefeningen en communicatietips die je direct kunt toepassen in de praktijk.

Sanne Kiljan