Emoties kunnen behoorlijk onhandig zijn. Je wilt tijdens een vergadering iets zeggen, maar voelt spanning en besluit toch maar te zwijgen. Je krijgt kritiek en merkt dat je onmiddellijk in de verdediging schiet. Of je blijft na een vervelend gesprek uren nadenken over wat er is gebeurd, terwijl je rationeel allang weet dat het weinig zin heeft.
We proberen zulke emoties vaak onder controle te krijgen. Angst moet verdwijnen, boosheid moeten we beheersen en onzekerheid zouden we het liefst vervangen door zelfvertrouwen. Vanuit de psychologie is het interessanter om eerst een andere vraag te stellen: waarom hebben we deze emoties eigenlijk?
Vanuit de evolutionaire psychologie is het antwoord dat emoties waarschijnlijk zijn ontstaan omdat ze onze voorouders hielpen omgaan met situaties die belangrijk waren voor overleving, voortplanting en het functioneren binnen groepen. Angst helpt gevaar herkennen en vermijden. Boosheid maakt het gemakkelijker om grenzen te verdedigen. Verdriet kan ervoor zorgen dat we ons terugtrekken na verlies en steun zoeken bij anderen. Schuld en schaamte hebben te maken met onze positie binnen de groep.
Dat betekent niet dat iedere emotionele reactie die we tegenwoordig ervaren automatisch nuttig is. Onze omgeving is in korte tijd enorm veranderd, terwijl veel fundamentele mechanismen van ons brein een veel langere geschiedenis hebben. We reageren daardoor soms met een oeroud alarmsysteem op een vergadering, een boze e-mail of een ongemakkelijk gesprek met onze leidinggevende.
Wie emoties beter wil leren reguleren, kan daarom beginnen met begrijpen waarvoor ze bedoeld zijn. Een emotie is geen opdracht die je moet uitvoeren. Het is informatie. En wanneer je die informatie leert herkennen, ontstaat er meer ruimte om bewust te bepalen wat je ermee wilt doen.
Stel je een mens voor die geen angst kan ervaren. Hij loopt door een gebied waar regelmatig roofdieren voorkomen, maar voelt geen spanning wanneer hij vreemde geluiden uit de struiken hoort. Hij durft risico's te nemen waar anderen terughoudend worden en vlucht pas wanneer het gevaar daadwerkelijk zichtbaar is.
Dat klinkt misschien moedig, maar vanuit evolutionair perspectief is het behoorlijk onhandig. Een organisme dat pas reageert wanneer gevaar zeker is, reageert regelmatig te laat.
Emoties helpen het lichaam om snel prioriteiten te stellen. Wanneer gevaar dreigt, wordt aandacht scherper en bereidt het lichaam zich voor op actie. Wanneer iets aantrekkelijk is, ontstaat motivatie om het te benaderen. Wanneer we iets belangrijks verliezen, verandert ons gedrag opnieuw.
Emoties zijn daarmee verbonden aan actie. Ze maken bepaalde gedragingen op bepaalde momenten waarschijnlijker.
Dat verklaart ook waarom emoties lichamelijk zo sterk kunnen voelen. Angst bestaat niet uitsluitend uit een gedachte dat iets gevaarlijk is. Je hartslag kan omhooggaan, spieren spannen zich aan en je aandacht verschuift. Je lichaam maakt zich klaar om iets te doen.
Angst is misschien het duidelijkste voorbeeld van een emotie met een evolutionaire functie. Het helpt ons reageren op mogelijk gevaar.
Daarbij is het systeem bewust gevoelig.
Stel dat je in hoog gras iets ziet bewegen. Het kan een roofdier zijn, maar het kan ook gewoon de wind zijn. Wanneer je iedere keer wegloopt en het blijkt negen van de tien keer de wind te zijn, heb je regelmatig onnodig energie verspild. Wanneer je nooit reageert en het blijkt die tiende keer wel een roofdier te zijn, kunnen de gevolgen aanzienlijk groter zijn.
Voor overleving is een alarmsysteem dat af en toe een vals alarm geeft daarom helemaal niet zo vreemd.
Ons moderne angstmechanisme werkt nog steeds volgens dat principe. Alleen zijn de gevaren veranderd.
Voor de meeste mensen bestaat de werkdag niet uit het ontwijken van roofdieren. We krijgen te maken met presentaties, deadlines, beoordelingen, conflicten en sociale afwijzing. Toch kan het lichaam daarop reageren met dezelfde fundamentele stresssystemen.
Je weet rationeel dat een presentatie niet levensbedreigend is. Je lichaam hoeft dat onderscheid niet altijd even overtuigend te maken.
Een groot deel van menselijke evolutie vond plaats in groepen. Voor onze voorouders was onderdeel blijven van een groep van groot belang. De groep bood bescherming, toegang tot voedsel, samenwerking en kansen om een partner te vinden.
Sociale afwijzing was daardoor geen triviaal ongemak.
Dat helpt verklaren waarom mensen tegenwoordig zo gevoelig kunnen zijn voor het oordeel van anderen. We vinden het spannend om voor een groep te spreken, onze mening tegenover collega's te verdedigen of een leidinggevende tegen te spreken.
De mogelijke consequentie is tegenwoordig meestal beperkt. Misschien ontstaat er een ongemakkelijk gesprek. Misschien is iemand het met je oneens.
Toch kan het brein sociale dreiging behoorlijk serieus nemen.
Dat is een interessant inzicht wanneer je moeite hebt met assertiviteit. Je kunt precies weten wat je wilt zeggen en toch merken dat je lichaam protesteert.
Stel dat je tijdens een vergadering een voorstel hoort waarvan je denkt dat het niet gaat werken. Je hebt goede argumenten en eigenlijk zou je ze moeten delen.
Vlak voordat je begint, komt er spanning op.
Wat als mijn idee dom blijkt te zijn? Wat als mijn manager geïrriteerd reageert? Wat als collega's denken dat ik moeilijk doe?
Vervolgens zeg je niets.
Op korte termijn werkt dat uitstekend tegen angst. De dreigende confrontatie verdwijnt en de spanning neemt af. Je brein leert daardoor iets belangrijks: zwijgen zorgt ervoor dat ik me weer veilig voel.
De volgende keer wordt zwijgen gemakkelijker.
Dat mechanisme speelt een grote rol bij vermijdingsgedrag. Het vermijden van iets spannends geeft onmiddellijk verlichting en die verlichting kan het vermijdingsgedrag versterken. Daardoor kan iemand die weinig assertief gedrag laat zien steeds meer moeite krijgen met voor zichzelf opkomen.
De oplossing is dan meestal niet wachten totdat alle spanning verdwenen is. Vaak werkt het andersom. Door stap voor stap te ervaren dat je een grens kunt aangeven, een mening kunt geven of iemand kunt tegenspreken zonder dat er iets verschrikkelijks gebeurt, krijgt het brein nieuwe informatie.
Assertiviteit betekent vanuit dat perspectief dus niet dat je geen angst meer voelt. Je leert handelen terwijl het alarmsysteem nog enigszins actief is.
Boosheid heeft een andere functie. Deze emotie ontstaat vaak wanneer we ervaren dat iets oneerlijk is, iemand een grens overschrijdt of een belangrijk doel wordt geblokkeerd.
Vanuit evolutionair perspectief kan boosheid helpen om belangen te verdedigen. De emotie verhoogt de bereidheid om de confrontatie aan te gaan en maakt terugtrekken minder aantrekkelijk.
Ook dat herkennen we op de moderne werkvloer.
Een collega presenteert jouw idee alsof het van hemzelf is. Een medewerker komt voor de vierde keer een afspraak niet na. Iemand praat tijdens een vergadering voortdurend door je heen.
Boosheid vertelt je in zulke situaties vaak dat er iets gebeurt wat je niet acceptabel vindt.
Het probleem zit meestal niet in de aanwezigheid van boosheid. De vraag is wat je vervolgens met die boosheid doet.
Wanneer je onmiddellijk vanuit de emotie reageert, kun je agressief worden. Wanneer je boosheid voortdurend wegdrukt, kan het tegenovergestelde gebeuren. Je grenzen blijven onuitgesproken en frustratie stapelt zich op.
Assertiviteit bevindt zich daar tussenin.
Je gebruikt de informatie uit de boosheid om te bepalen welke grens aandacht nodig heeft, maar kiest bewust hoe je die grens communiceert.
Boosheid en agressie worden gemakkelijk met elkaar verward. Toch is het belangrijk om ze uit elkaar te houden.
Boosheid is een emotie. Agressie is gedrag.
Je kunt behoorlijk boos zijn en toch rustig zeggen dat je ergens niet mee akkoord gaat. Andersom kan iemand agressief gedrag vertonen zonder op dat moment bijzonder boos te zijn.
Dat onderscheid is belangrijk wanneer mensen willen leren omgaan met emoties. Het doel hoeft niet te zijn om nooit meer boos te worden. Boosheid kan nuttige informatie bevatten.
Vraag jezelf bijvoorbeeld af welke grens blijkbaar geraakt wordt. Vind je iets oneerlijk? Voel je je niet serieus genomen? Wordt er iets van je gevraagd waar je niet achter staat?
Pas daarna komt de vraag welk gedrag verstandig is.
Verdriet lijkt op het eerste gezicht misschien minder functioneel. Waarom zou een emotie die energie vermindert en ons laat huilen ooit nuttig zijn?
Een belangrijke verklaring is dat verdriet verbonden is met verlies.
Wanneer een belangrijk doel onbereikbaar wordt, een relatie eindigt of iemand iets waardevols verliest, kan het zinvol zijn om tijdelijk minder energie in dezelfde richting te blijven investeren. Verdriet vertraagt ons en trekt aandacht naar wat verloren is gegaan.
Tegelijkertijd heeft verdriet een sterke sociale component. Zichtbaar verdriet kan anderen laten zien dat iemand steun nodig heeft. Bij een sociale soort als de mens kan dat belangrijk zijn.
Op de werkvloer wordt verdriet soms snel als privé gezien. Toch kunnen reorganisaties, ontslag, het verdwijnen van een vertrouwd team of het mislukken van een belangrijk project echte verlieservaringen zijn.
Een leidinggevende die direct naar oplossingen springt, kan daardoor iets missen.
Soms heeft iemand eerst tijd nodig om te verwerken wat verdwenen is voordat er ruimte ontstaat om vooruit te kijken.
Walging heeft een duidelijke lichamelijke oorsprong. Bedorven voedsel, ontlasting en andere mogelijke bronnen van ziekte kunnen een sterke afkeer oproepen. Die reactie helpt ons afstand te houden van zaken die besmetting of ziekte kunnen veroorzaken.
Bij mensen heeft walging daarnaast een sociale en morele kant gekregen. We kunnen gedrag, ideeën of personen zelfs "walgelijk" noemen.
Daar zit een risico.
Wanneer walging zich richt op voedsel is afstand nemen meestal eenvoudig. Wanneer dezelfde emotionele reactie wordt gekoppeld aan mensen of groepen, kan ze bijdragen aan sterke sociale afwijzing en ontmenselijking.
Op het werk zal dit meestal in veel mildere vormen voorkomen, bijvoorbeeld wanneer iemand een sterke afkeer ontwikkelt van een bepaalde collega of manier van werken. Het helpt dan om te beseffen dat een sterke emotionele reactie nog geen objectief oordeel is.
De emotie vertelt dat je ergens afstand van wilt nemen. Vervolgens moet je nog onderzoeken waarom.
Schuld ontstaat vaak wanneer we denken dat we iemand hebben benadeeld of een belangrijke sociale norm hebben overtreden.
Ook daar zit een sociale functie achter.
Mensen zijn sterk afhankelijk van samenwerking. Wie anderen voortdurend benadeelt zonder daar iets om te geven, krijgt op termijn problemen binnen een groep. Schuld kan gedrag stimuleren waarmee relaties worden hersteld.
Je hebt iets onaardigs gezegd en voelt je daar later slecht over. Dat gevoel motiveert je misschien om excuses aan te bieden.
In die vorm is schuld functioneel.
Problematisch wordt het wanneer mensen zich voortdurend schuldig voelen over zaken waarvoor zij nauwelijks verantwoordelijkheid dragen. Dat zie je bijvoorbeeld bij mensen die moeite hebben met grenzen aangeven. Ze zeggen eindelijk nee tegen een verzoek en voelen zich vervolgens schuldig omdat de ander teleurgesteld is.
Dan helpt het om onderscheid te maken tussen twee vragen. Heb ik daadwerkelijk iets verkeerd gedaan, of voelt het vooral ongemakkelijk dat ik voor mijn eigen belang ben opgekomen?
Dat verschil is essentieel voor assertiviteit.
Schuld en schaamte lijken op elkaar, maar richten de aandacht vaak anders. Bij schuld staat gedrag centraal: ik heb iets verkeerd gedaan. Bij schaamte raakt de beoordeling gemakkelijker aan jezelf: er is iets mis met mij of anderen zullen negatief over mij denken.
Ook schaamte heeft waarschijnlijk sterke wortels in ons sociale bestaan.
Voor mensen die afhankelijk zijn van een groep is reputatie belangrijk. Het is daarom logisch dat we gevoelig zijn voor situaties waarin onze sociale positie beschadigd kan raken.
Op het werk verschijnt schaamte bijvoorbeeld na een fout tijdens een presentatie, een publieke correctie door een leidinggevende of een opmerking waar niemand om lacht.
Objectief gezien gebeurt er soms nauwelijks iets. Toch wil iemand het liefst door de grond zakken.
Wie schaamte begrijpt als een sociaal alarmsignaal kan er anders mee omgaan. Het gevoel vertelt dat je reputatie mogelijk bedreigd is. Dat betekent nog niet dat de groep je werkelijk heeft afgewezen.
Ook emoties als jaloezie en afgunst kunnen vanuit evolutionair perspectief worden bekeken. Mensen vergelijken zichzelf met anderen en letten sterk op toegang tot relaties, middelen, waardering en status.
Dat verdwijnt niet zodra we een kantoor binnenlopen.
Een collega krijgt promotie en je merkt dat het iets met je doet. Een andere medewerker krijgt veel aandacht van de manager en dat irriteert je meer dan je zou willen toegeven.
We schamen ons soms voor zulke emoties, omdat we vinden dat we ze niet zouden moeten hebben.
Interessanter is wat ze vertellen.
Misschien verlang je zelf naar meer erkenning. Misschien ben je onzeker over je positie. Misschien wordt er werkelijk oneerlijk met kansen omgegaan.
De emotie geeft een aanwijzing. Daarna begint het denkwerk.
Evolutionaire verklaringen van emoties gaan gemakkelijk over gevaar, verlies en conflict, maar positieve emoties zijn minstens zo interessant.
Plezier motiveert ons om bepaald gedrag te herhalen. Sociale warmte helpt relaties versterken. Trots kan gedrag bekrachtigen waarmee we competentie of status hebben opgebouwd.
Positieve emoties kunnen daarnaast exploratie en sociale verbinding ondersteunen. Wanneer mensen zich veilig en prettig voelen, ontstaat meer ruimte om te spelen, ontdekken en contact te zoeken.
Ook voor teams is dat relevant.
Humor, gezamenlijk succes en waardering lijken misschien zachtere onderdelen van samenwerking, maar ze helpen relaties onderhouden. Een team dat samen positieve ervaringen opdoet, bouwt een andere sociale geschiedenis op dan een team dat elkaar uitsluitend ontmoet rondom problemen.
Hier ligt misschien wel het belangrijkste praktische inzicht.
Emoties geven informatie over hoe je brein een situatie interpreteert. Ze bewijzen niet automatisch dat die interpretatie klopt.
Je kunt bang zijn zonder dat er werkelijk gevaar is. Je kunt boos zijn zonder dat iemand bewust een grens heeft overschreden. Je kunt je schuldig voelen terwijl je niets verkeerd hebt gedaan.
Daarom is zowel het onderdrukken als het blind volgen van emoties onhandig.
Wie iedere emotie probeert weg te redeneren, mist waardevolle signalen. Wie iedere emotie als waarheid behandelt, loopt het risico impulsief te reageren.
Er zit ruimte tussen voelen en handelen.
Precies die ruimte kun je trainen.
Emoties worden vaak lichamelijk merkbaar voordat we er duidelijke woorden voor hebben.
Je ademhaling verandert. Je kaken spannen zich aan. Je voelt druk op je borst of warmte in je gezicht. Misschien begin je sneller te praten of word je juist stil.
Door die signalen eerder te leren herkennen, krijg je meer tijd om te reageren.
Dat is vooral nuttig in gesprekken waarin assertiviteit nodig is. Wie pas merkt dat hij boos is wanneer hij begint te schreeuwen, heeft weinig speelruimte. Wie eerder merkt dat de spanning oploopt, kan vertragen en bepalen wat hij wil zeggen.
Hetzelfde geldt voor angst. Je hoeft de lichamelijke spanning niet eerst volledig te verwijderen. Je kunt haar opmerken en vervolgens onderzoeken wat er gebeurt.
Een praktische manier om met emoties om te gaan is jezelf afvragen welke mogelijke functie de emotie op dit moment heeft.
Bij angst kun je onderzoeken welk gevaar je verwacht. Bij boosheid kun je kijken welke grens geraakt wordt. Bij schuld is de vraag of je daadwerkelijk iemand hebt benadeeld. Bij verdriet kun je onderzoeken wat je hebt verloren.
Daarna komt een tweede stap die minstens zo belangrijk is: klopt het signaal met de huidige situatie?
Je angst kan waarschuwen voor sociale afwijzing terwijl je in werkelijkheid een normale professionele discussie voert. Je boosheid kan wijzen op een echte grensoverschrijding, maar ook versterkt worden doordat je moe bent of een eerdere ervaring meeneemt.
Door functie en werkelijkheid uit elkaar te trekken, ontstaat meer keuzevrijheid.
Emoties bereiden ons voor op gedrag. Angst trekt richting vermijden, boosheid richting confrontatie en schaamte richting verbergen.
Soms is precies dat gedrag nuttig.
Wanneer er werkelijk gevaar is, moet je afstand nemen. Wanneer iemand herhaaldelijk je grenzen overschrijdt, kan confrontatie noodzakelijk zijn.
In andere situaties helpt het juist om iets anders te doen.
Wie bang is om zijn mening te geven, kan bewust besluiten toch één zin uit te spreken. Wie boos is, kan eerst vertragen voordat hij reageert. Wie zich schaamt na een fout kan ervoor kiezen de fout juist openlijk te bespreken.
Daarmee leer je dat een emotionele impuls een voorstel van je brein is, geen bevel.
Ook voor leidinggevenden is deze manier van kijken naar emoties waardevol.
Wanneer een medewerker emotioneel reageert, ontstaat snel de neiging om het gevoel kleiner te maken of onmiddellijk naar een oplossing te zoeken. "Maak je niet zo druk" en "het komt wel goed" zijn begrijpelijke reacties, maar geven weinig informatie over wat er werkelijk speelt.
Een coachende leidinggevende kan eerst proberen te begrijpen waar de emotie op wijst.
Waar ben je precies bang voor? Wat maakt je hier zo boos over? Wat betekent deze verandering voor je? Welke grens wordt volgens jou overschreden?
Daarmee wordt de emotie onderdeel van het gesprek zonder dat zij automatisch de uitkomst bepaalt.
Je hoeft als leidinggevende ook niet iedere emotie op te lossen. Soms is erkenning voldoende om daarna weer naar gedrag en verantwoordelijkheid te kunnen kijken.
Mensen die beter willen omgaan met emoties denken soms dat het einddoel rust is. Ze willen minder angst, minder boosheid en minder onzekerheid.
Dat is een begrijpelijke wens, maar waarschijnlijk geen realistisch ideaal.
Een gezond emotioneel systeem reageert.
Het doel is eerder dat je beter begrijpt wat die reactie betekent en dat je voldoende ruimte ontwikkelt om bewust te handelen.
Iemand die assertief wordt, kan nog steeds spanning voelen wanneer hij zijn manager tegenspreekt. Iemand die goed met conflicten omgaat, kan nog steeds boos worden. Het verschil zit in wat er daarna gebeurt.
Daar ontstaat persoonlijke regie.
Emoties zijn vanuit evolutionair perspectief geen willekeurige storingen in ons denken. Ze zijn onderdeel van systemen die mensen hielpen reageren op gevaar, verlies, sociale verhoudingen, kansen en conflicten. Angst waarschuwt voor dreiging. Boosheid helpt grenzen verdedigen. Verdriet reageert op verlies. Schuld en schaamte hebben een sterke relatie met ons functioneren binnen groepen.
Onze moderne omgeving is alleen heel anders dan de omstandigheden waarin veel van deze mechanismen zich hebben ontwikkeld. Daardoor kan een alarmsysteem dat ooit reageerde op fysiek en sociaal gevaar tegenwoordig aanslaan wanneer we een presentatie geven, feedback krijgen of tijdens een vergadering onze mening moeten verdedigen.
Dat is vooral bij assertiviteit een belangrijk inzicht. Spanning betekent niet automatisch dat je moet stoppen. Boosheid betekent niet automatisch dat je moet aanvallen. Schuld betekent niet automatisch dat je iets verkeerd hebt gedaan.
Je kunt leren om eerst te onderzoeken wat een emotie probeert te vertellen. Vervolgens kijk je of dat signaal past bij de situatie waarin je nu werkelijk zit. Pas daarna bepaal je welk gedrag verstandig is.
Wie op die manier met emoties leert omgaan, hoeft ze niet weg te drukken. Angst, boosheid, verdriet en schaamte mogen aanwezig zijn zonder dat ze automatisch bepalen wat je doet. Juist door hun functie beter te begrijpen, wordt het gemakkelijker om bewust te kiezen hoe je wilt reageren.
Fijn als wij je even bellen? Geen probleem!