Copingstijlen: hoe ga jij om met stress, spanning en lastige situaties?

Leestijd: 5 minuten
Auteur: Sanne Kiljan

Een deadline komt dichterbij en je merkt dat het werk zich opstapelt. Een collega doet iets waar je je al weken aan ergert. Je krijgt kritiek van je leidinggevende of moet een gesprek voeren waar je behoorlijk tegenop ziet. Iedereen krijgt met zulke situaties te maken, maar de manier waarop mensen ermee omgaan kan sterk verschillen.

 

De één komt direct in actie en probeert het probleem op te lossen. Een ander wil er eerst met iemand over praten. Sommige mensen proberen de situatie te relativeren, terwijl anderen juist afleiding zoeken en hopen dat het probleem vanzelf kleiner wordt. Weer iemand anders blijft er eindeloos over piekeren zonder daadwerkelijk iets te doen.

 

Binnen de psychologie worden de manieren waarop mensen omgaan met stressvolle, moeilijke of emotioneel belastende situaties coping genoemd. In het Nederlands wordt ook wel gesproken over copingstrategieën of copingstijlen. Iedereen gebruikt verschillende vormen van coping en meestal hebben we een aantal strategieën waar we sneller op terugvallen.

 

Dat maakt coping interessant voor mensen die beter willen omgaan met stress. Het onderwerp is ook relevant wanneer je assertiever wilt worden, omdat vermijden, grenzen aangeven en steun zoeken allemaal manieren kunnen zijn waarop je met spanning omgaat. Voor coachend leidinggevenden biedt kennis over coping een extra perspectief om gedrag van medewerkers te begrijpen. Een medewerker die een probleem ontwijkt, heeft misschien geen gebrek aan motivatie. Vermijden kan een manier zijn geworden om met spanning om te gaan.

 

Wat is coping?


Coping is de manier waarop iemand probeert om te gaan met situaties die als belastend, bedreigend of moeilijk worden ervaren. Daarbij kan het gaan om het oplossen van het probleem zelf, maar ook om het reguleren van de emoties die door de situatie worden opgeroepen.

 

Stel dat je een conflict hebt met een collega. Je kunt besluiten het gesprek aan te gaan en afspraken te maken. Daarmee probeer je de oorzaak van de stress te beïnvloeden. Je kunt ook eerst een wandeling maken omdat je merkt dat je te boos bent om een goed gesprek te voeren. In dat geval verander je de situatie nog niet, maar probeer je eerst je emotionele reactie te reguleren.

 

Beide kunnen goede coping zijn.

 

Daarmee komen we meteen bij een belangrijk punt. Er bestaat niet één ideale copingstijl die in iedere situatie werkt. Goede coping heeft veel te maken met flexibiliteit. Je moet kunnen inschatten wat de situatie vraagt en vervolgens een strategie kiezen die daarbij past.

 

Probleemgerichte coping


Een bekende vorm is probleemgerichte coping. Daarbij richt je je aandacht op de oorzaak van de stress en probeer je daar iets aan te veranderen.

 

Je hebt bijvoorbeeld te veel werk en bespreekt met je leidinggevende welke taken prioriteit hebben. Je begrijpt een opdracht niet en vraagt om verduidelijking. Een collega komt afspraken niet na en je gaat daarover in gesprek.

 

Probleemgerichte coping werkt vooral goed wanneer je daadwerkelijk invloed hebt op de situatie.

 

Dat klinkt vanzelfsprekend, maar mensen onderschatten soms hoeveel invloed ze nog hebben. Ze blijven weken piekeren over werkdruk zonder hun planning aan te passen of het gesprek aan te gaan. De stress blijft daardoor bestaan terwijl er misschien wel handelingsruimte is.

 

Voor assertiviteit is dit bijzonder relevant. Een grens aangeven is vaak een vorm van probleemgerichte coping. Je probeert iets in de situatie te veranderen in plaats van uitsluitend te leren verdragen dat het vervelend voelt.

 

Emotiegerichte coping


Sommige problemen kunnen niet onmiddellijk worden opgelost. Dan kan emotiegerichte coping nuttig zijn.

 

Daarbij probeer je vooral om te gaan met de gevoelens die een situatie oproept. Je praat bijvoorbeeld met iemand over wat er is gebeurd, probeert jezelf te kalmeren of neemt bewust tijd om een teleurstelling te verwerken.

 

Stel dat je hoort dat een gewenste promotie naar iemand anders gaat. Je kunt misschien om feedback vragen en nadenken over je volgende stap, maar je kunt de beslissing zelf niet meer veranderen. Teleurstelling wegredeneren heeft dan weinig zin.

 

Het kan juist gezond zijn om die emotie enige ruimte te geven.

 

Emotiegerichte coping wordt soms onterecht gezien als passief. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Je emoties reguleren kan ervoor zorgen dat je later veel verstandiger handelt.

 

Vermijdende coping


Een andere veelvoorkomende reactie is vermijden.

 

Je stelt een moeilijk gesprek uit. Je probeert niet aan het probleem te denken. Je zoekt afleiding of houdt jezelf voortdurend bezig zodat je niet hoeft stil te staan bij wat er speelt.

 

Ook vermijding heeft een functie.

 

Wanneer spanning hoog is, geeft afstand nemen vaak onmiddellijk verlichting. Je hoeft het moeilijke gesprek vandaag niet te voeren en voelt je daardoor tijdelijk rustiger.

 

Precies daarin zit tegelijkertijd het risico.

 

Wanneer vermijden de spanning vermindert, leert je brein dat vermijden werkt. De volgende keer wordt de neiging om hetzelfde te doen sterker. Ondertussen blijft het oorspronkelijke probleem bestaan.

 

Een conflict verdwijnt bijvoorbeeld zelden doordat je een collega drie weken ontwijkt. Vaak komt er juist nieuwe spanning bij.

 

Wanneer vermijden wél verstandig kan zijn


Vermijding wordt gemakkelijk als slechte coping bestempeld, maar ook dat is te simpel.

 

Soms is afstand nemen verstandig.

 

Wanneer je tijdens een conflict zo boos bent dat je waarschijnlijk dingen gaat zeggen waar je later spijt van krijgt, kan een tijdelijke pauze een uitstekende keuze zijn. Het verschil zit vooral in wat daarna gebeurt.

 

Je kunt zeggen dat je het gesprek morgen wilt voortzetten omdat je eerst wilt nadenken. Dat is iets anders dan het onderwerp wekenlang ontwijken.

 

Tijdelijk afstand nemen kan helpen om weer regie te krijgen. Structureel vermijden verkleint die regie vaak.

 

Actief aanpakken


Mensen die vaak actief copinggedrag gebruiken, proberen relatief snel te onderzoeken wat zij kunnen doen. Ze verzamelen informatie, maken een plan of voeren een gesprek.

 

Op het werk kan dat heel effectief zijn.

 

Een project loopt achter en iemand brengt direct in kaart waar de vertraging ontstaat. Een medewerker merkt dat hij onvoldoende kennis heeft en regelt ondersteuning. Een leidinggevende ziet spanning in het team en wacht niet tot het escaleert.

 

Actief aanpakken geeft vaak een gevoel van controle.

 

Toch kan ook deze stijl doorschieten. Sommige situaties kunnen niet direct worden opgelost. Iemand die altijd in de actiestand schiet, kan moeite hebben met onzekerheid of emoties die eerst verwerkt moeten worden.

 

Dan wordt handelen een manier om niet te hoeven voelen.

 

Sociale steun zoeken


Mensen zijn sociale wezens en veel stress wordt gemakkelijker wanneer we die met anderen kunnen delen.

 

Sociale steun kan praktisch zijn. Je vraagt een collega om hulp bij een ingewikkelde opdracht. Het kan ook emotioneel zijn. Je bespreekt met iemand hoe een situatie je raakt.

 

Dat kan veel verschil maken.

 

Alleen al het vertellen van een ervaring helpt soms om gedachten te ordenen. Een ander kan bovendien perspectieven zien die je zelf mist.

 

Toch is er verschil tussen steun zoeken en voortdurend bevestiging zoeken.

 

Wanneer je na iedere beslissing iemand nodig hebt die zegt dat je het goed doet, kan sociale steun langzaam afhankelijkheid worden. Goede coping helpt uiteindelijk om weer voldoende eigen regie te ervaren.

 

Piekeren als poging om controle te krijgen


Piekeren voelt vaak alsof je actief met een probleem bezig bent. Je denkt er tenslotte voortdurend over na.

 

Toch leidt piekeren lang niet altijd tot een oplossing.

 

Je herhaalt dezelfde scenario's, probeert te voorspellen wat er mis kan gaan en blijft mogelijke gesprekken in je hoofd voeren. Dat kan een poging zijn om controle te krijgen over een onzekere situatie.

 

Het verschil tussen nadenken en piekeren zit vaak in de uitkomst.

 

Nadenken leidt op een bepaald moment tot een beslissing, actie of acceptatie. Piekeren blijft rondjes draaien.

 

Wanneer je dat merkt, helpt een praktische vraag: is er iets wat ik nu kan doen?

 

Als het antwoord ja is, kun je een stap zetten. Als het antwoord nee is, ligt de uitdaging waarschijnlijk meer bij het verdragen van onzekerheid.

 

Relativeren


Relativeren is eveneens een copingstrategie.

 

 

Je probeert een gebeurtenis in perspectief te plaatsen. Hoe belangrijk is dit over een maand? Is deze fout werkelijk zo groot als hij nu voelt? Wat zou ik tegen een collega zeggen die hetzelfde had meegemaakt?

 

Dat kan stress aanzienlijk verminderen.

 

Relativeren wordt minder behulpzaam wanneer het verandert in bagatelliseren. Iemand kan bijvoorbeeld structurele overbelasting wegzetten als “een drukke periode”, terwijl die periode inmiddels een jaar duurt.

 

Goede relativering maakt een probleem realistischer.

 

Bagatelliseren maakt het probleem kleiner dan het is.

 

Coping en assertiviteit


Copingstijlen zijn sterk verbonden met assertiviteit.

 

Stel dat een collega regelmatig werk bij je neerlegt. Je hebt eigenlijk geen tijd, maar vindt het spannend om nee te zeggen.

 

Je kunt het verzoek accepteren en daarna proberen om met de extra stress om te gaan. Misschien werk je 's avonds langer door of klaag je thuis over de hoeveelheid werk.

 

Dat is coping, maar de oorzaak blijft bestaan.

 

Een assertieve reactie richt zich eerder op de situatie zelf. Je benoemt dat je geen ruimte hebt en bespreekt wat wel mogelijk is.

 

Dat kan op korte termijn meer spanning geven.

 

Juist dat maakt assertiviteit soms lastig. Vermijden voelt vandaag comfortabeler, terwijl grenzen aangeven morgen vaak minder stress oplevert.

 

Waarom mensen onder stress terugvallen in bekende patronen


Wanneer mensen ontspannen zijn, hebben ze meestal meer ruimte om verschillende reacties af te wegen.

 

Onder hoge stress wordt dat moeilijker.

 

We vallen dan gemakkelijker terug op gedrag dat vertrouwd is. De één gaat harder werken. De ander trekt zich terug. Iemand wordt kortaf, terwijl een ander juist voortdurend bevestiging zoekt.

 

Daarom leer je iemands copingstijl vaak het duidelijkst kennen tijdens moeilijke periodes.

 

Dat geldt ook voor jezelf.

 

Vraag je eens af wat je meestal doet wanneer de druk echt oploopt. Ga je oplossen, vermijden, piekeren, praten, controleren of jezelf afleiden?

 

Daar zitten vaak terugkerende patronen in.

 

Coping is geen persoonlijkheid


Het is verleidelijk om mensen vast te zetten in een bepaalde copingstijl. “Ik ben nu eenmaal een vermijder” of “zij is iemand die alles direct wil oplossen.”

 

Dat helpt meestal weinig.

 

Coping bestaat uit aangeleerde manieren om met situaties om te gaan. Sommige strategieën zijn zo vertrouwd geworden dat ze automatisch voelen, maar dat betekent niet dat ze onveranderbaar zijn.

 

Mensen kunnen nieuwe manieren van omgaan met stress leren.

 

Daarvoor moet je eerst herkennen wat je automatisch doet.

 

Een voorbeeld op de werkvloer


Stel dat twee medewerkers dezelfde kritische feedback krijgen.

 

De eerste medewerker vraagt door, denkt na over wat hij kan veranderen en maakt een concreet plan. De tweede medewerker voelt zich geraakt, bespreekt de feedback uitgebreid met collega's en probeert vervolgens het onderwerp te vermijden.

 

Van buitenaf kun je de tweede medewerker ongemotiveerd vinden.

 

Misschien speelt er iets anders.

 

Kritiek roept bij hem zoveel spanning op dat vermijden zijn automatische copingstrategie is geworden. Wanneer je dat begrijpt, kun je anders coachen.

 

De vraag wordt dan niet waarom hij niets met feedback doet. Interessanter is wat er gebeurt zodra hij feedback krijgt en welke andere reactie hij zou kunnen oefenen.

 

Coping en coachend leidinggeven


Voor coachend leidinggevenden is coping vooral interessant omdat het helpt om verder te kijken dan zichtbaar gedrag.

 

Een medewerker die een probleem steeds bij jou neerlegt, kan gewend zijn geraakt aan steun zoeken. Iemand die bij iedere tegenslag direct een plan maakt, gebruikt misschien vooral probleemgerichte coping. Een medewerker die moeilijke onderwerpen blijft uitstellen, kan spanning reguleren door te vermijden.

 

Als leidinggevende hoef je daar geen psychologische diagnose van te maken.

 

Je kunt wel nieuwsgierige vragen stellen.

 

Wat doe je meestal wanneer je deze spanning voelt? Wat levert die reactie je op? Wat zijn de gevolgen op langere termijn? Wat zou je nog meer kunnen proberen?

 

Zo help je iemand om zijn eigen patroon te onderzoeken.

 

Pas op dat je problemen niet steeds overneemt


Voor coachende leidinggevenden ligt hier nog een interessante valkuil.

 

Wanneer een medewerker met stress naar je toe komt, is het verleidelijk om onmiddellijk oplossingen aan te dragen. Daarmee help je op korte termijn.

 

Op langere termijn kun je onbedoeld een patroon versterken waarin de medewerker problemen steeds bij jou neerlegt.

 

Soms is een andere reactie effectiever.

 

Je kunt vragen wat iemand zelf al heeft geprobeerd, waar hij invloed op heeft en welke volgende stap hij zou kunnen zetten.

 

Daarmee stimuleer je actieve coping en eigenaarschap.

 

Eerst bepalen of je invloed hebt


Een van de praktischste manieren om coping te kiezen is eerst bepalen hoeveel invloed je op de situatie hebt.

 

Wanneer je invloed hebt, is actie vaak verstandig. Je kunt een gesprek voeren, hulp vragen, prioriteiten veranderen of een grens aangeven.

 

Wanneer je weinig invloed hebt, heeft voortdurend proberen het probleem op te lossen soms juist een averechts effect.

 

Je kunt een reorganisatie misschien niet tegenhouden. Je kunt wel onderzoeken wat je nodig hebt om met de onzekerheid om te gaan.

 

Dit onderscheid sluit mooi aan bij de cirkel van invloed. Energie steken in zaken waarop je daadwerkelijk invloed hebt, geeft vaak meer grip.

 

Kijk naar het effect op korte én lange termijn


Een tweede praktische vraag is wat een copingstrategie je vandaag oplevert en wat zij over een paar weken doet.

 

Vermijden kan vandaag rust geven en volgende maand meer stress veroorzaken.

 

Een grens aangeven kan vandaag spanning geven en volgende maand juist rust opleveren.

 

Extra hard werken kan tijdelijk een deadline redden, maar problematisch worden wanneer dat iedere week nodig is.

 

Door beide tijdsperspectieven mee te nemen, wordt het gemakkelijker om te zien of een strategie werkelijk helpt.

 

Vergroot je repertoire


Gezonde coping betekent uiteindelijk dat je meerdere mogelijkheden hebt.

 

Soms moet je handelen. Soms moet je accepteren. Soms helpt praten. Soms heb je rust nodig. En soms is het verstandig om iets spannends juist wél aan te gaan.

 

Hoe groter je repertoire, hoe beter je kunt aansluiten bij wat een situatie vraagt.

 

Dat is ook waarom persoonlijke ontwikkeling vaak draait om gedrag dat minder vanzelfsprekend voelt. Iemand die alles zelf oplost, kan leren om steun te vragen. Iemand die veel vermijdt, kan oefenen met kleine confrontaties. Iemand die voortdurend praat over problemen, kan oefenen met zelf een concrete vervolgstap kiezen.

 

Je hoeft je vertrouwde coping niet volledig af te leren.

 

Je wilt vooral voorkomen dat het je enige antwoord wordt.

 

Een eenvoudige reflectie na een stressvol moment


Na een lastige situatie kan het helpen om kort terug te kijken naar wat er gebeurde.

 

Onderzoek eerst wat de stress veroorzaakte en wat je automatische reactie was. Kijk daarna naar het effect. Werd het probleem werkelijk kleiner of voelde je je alleen tijdelijk beter?

 

Vervolgens kun je bedenken welke andere copingstrategie mogelijk was geweest.

 

Misschien had je eerder hulp kunnen vragen. Misschien was een grens nodig. Misschien probeerde je juist iets op te lossen waar je nauwelijks invloed op had.

 

Door zulke situaties regelmatig terug te kijken, worden patronen steeds herkenbaarder.

 

Tot slot


Coping beschrijft de manieren waarop mensen omgaan met stress, problemen en moeilijke emoties. We kunnen problemen actief aanpakken, emoties reguleren, steun zoeken, relativeren, vermijden of proberen afstand te nemen.

 

Geen van die strategieën is in iedere situatie automatisch goed of slecht.

 

De belangrijkste vraag is of jouw reactie past bij de situatie en je op langere termijn helpt.

 

Voor mensen die assertiever willen worden is dat een waardevol inzicht. Vermijden en aanpassen kunnen spanning op korte termijn verminderen, terwijl een duidelijke grens soms juist tijdelijk spanning oproept. Wat op het moment zelf comfortabel voelt, is daarom niet altijd de strategie die uiteindelijk het meeste rust geeft.

 

Voor mensen die beter met stress willen omgaan geldt iets vergelijkbaars. Sommige problemen vragen actie. Andere situaties vragen acceptatie, herstel of emotionele verwerking.

 

Voor coachend leidinggevenden biedt coping een manier om gedrag met meer nieuwsgierigheid te bekijken. In plaats van direct te vragen waarom iemand iets niet doet, kun je onderzoeken hoe die persoon gewend is om met spanning om te gaan en wat dat patroon oplevert.

 

Wie zijn eigen copingstijlen leert herkennen, krijgt uiteindelijk meer keuze. Je automatische reactie hoeft niet te verdwijnen. Het belangrijkste is dat je merkt wanneer die reactie opkomt en kunt beoordelen of zij je in deze situatie werkelijk helpt. Zodra dat lukt, wordt omgaan met stress minder automatisch en ontstaat er meer ruimte om bewust te kiezen wat je nodig hebt.

Sanne Kiljan

Sanne Kiljan
Chef Contact

Bel je ons op? Dan krijg je Sanne aan de lijn. Hij helpt je bij het uitzoeken van de juiste training!